Wanneer een oordeel bijgevoegd wordt om de mate van zekerheid te verduidelijken, moet dat gebeuren in een gestandaardiseerde vorm. Het oordeel kan goedkeurend of aangepast zijn. Een goedkeurend oordeel wordt gebruikt wanneer er gesproken kan worden van een beperkte of redelijke mate van zekerheid. Een aangepast oordeel kan:

  • Een oordeel met voorbehoud zijn (behalve) – als de auditeur het oneens is met of onvoldoende gepaste bewijzen vindt over bepaalde audititems die materieel zijn of kunnen zijn, maar geen diepgaande invloed hebben;
  • Een afkeurend oordeel zijn – als de auditeur voldoende gepaste bewijzen verzameld heeft en concludeert dat afwijkingen of vergissingen afzonderlijk of gezamenlijk van materieel belang zijn en een diepgaande invloed hebben;
  • Een oordeelonthouding zijn– als de auditeur er niet in geslaagd is voldoende gepaste auditbewijzen te verzamelen door een onzekerheid of door een beperking van de reikwijdte die zowel materieel is als een diepgaande invloed heeft.

Als het auditoordeel aangepast wordt, moeten de redenen daarvoor in hun context geplaatst worden door te verwijzen naar de toepasselijke normen en door de aard en grootte van de aanpassing te verduidelijken. Afhankelijk van het audittype, kunnen ook aanbevelingen voor corrigerende maatregelen en elk relevant gebrek aan interne beheersing bijgevoegd worden in het auditrapport.


INTOSAI ref. Fundamentele Principes voor Overheidsaudit(pdf) (ISSAI-100).
#tagcoding hashtag: #issai151c


en en.gif
fr fr.gif
nl nl.gif